Bergen in 1820

Over het reilen en zeilen van de gemeente Bergen in de eerste jaren na de Franse tijd vinden we een aantal interessante gegevens in een rapport van 1820. Op verzoek van het provinciaal bestuur heeft de schout (= burgemeester) van Bergen dat onder de benaming “Statistisch tafereel van de gemeente Bergen” samengesteld en aan de commissaris van het arrondissement te Roermond toegezonden.

Dit rapport heeft betrekking op de samenstelling van de bevolking, het grondgebruik, landbouw en veeteelt alsmede ambacht en nering in de gemeente. De volgende informaties zijn hieraan ontleend.

De inwoners
In 1820 telde de gemeente Bergen 2.764 inwoners, die gehuisvest waren in 556 huizen. Verdeeld over vier dorpen en zes gehuchten woonden in Well 325, in Bergen 249, in Afferden 437 en in Heijen 335 personen en in de gehuchten Loeij 253, Elsteren 311, Kamp 222, Aijen 244, Heukelom 139 en Sevengewalt 249 personen.

Bij een verdeling over de vroegere heerlijkheden, die na 1815 tot 1 januari 1935 een afspiegeling kregen in drie administratieve afdelingen van de gemeente, krijgen we het volgende overzicht.

 HuizenInwoners
Well - Bergen3071604
Afferden169825
Heijen80335
Gemeente Bergen5562764
In deze opzet behoren het later ontstane dorp Wellerlooi tot Well – Bergen en Siebengewald tot Afferden.kadasterkaart bergen 1821Een fragment uit een kadasterkaart uit 1821, een zogenaamd minuutplan


Het grondgebruik

Blijkens het rapport van 1820 was van de totale oppervlakte van de gemeente (12.460 ha) 2.050 ha in gebruik als landbouwgrond en 167 ha als hooi- en weiland. De oppervlakte van de heidegronden was 1.704 ha terwijl die van de bossen beperkt bleef tot 393 ha. Verder werden genoemd 210 ha veengronden (grotendeels gelegen onder Well en Bergen) en 63 ha moerassen. Het totaal van de gronden met de hier genoemde bestemmingen is veel minder dan de grootte van de gemeente. Terreinen met een andere bestemmingen zoals dorpskernen, wegen e.d. zijn buiten beschouwing gelaten evenals de woeste gronden met een aanzienlijke oppervlakte.

Landbouw en veeteelt
Een groot gedeelte van de bevolking vond een karig bestaan op de veelal matige tot slechte cultuurgrond. Tot het einde van de 19e eeuw waren er nauwelijks middelen om de kwaliteit hiervan te verbeteren. Als belangrijkste teelten zijn genoemd: rogge, haver, gerst, aardappelen, boekweit, bonen en erwten.

Met betrekking tot de paarden en het slachtvee zijn de volgende aantallen genoemd: paarden 220, ossen en koeien 898, schapen 1.587 en varkens 404. In 1870 waren er 51 houders van schaapskudden met 2.170 schapen. In 1899 was dit teruggelopen tot 8 kudden met 680 schapen. De varkensteelt is daarentegen toegenomen, nl. van 404 tot 3.600 varkens in 1899.grondgebruik bergen 19e eeuwDe kaart toont het grondgebruik begin 19e eeuw: de bruine en rode kleur geeft bouwland aan, groen is grasland. De gele en oranje gebieden zijn ontginningen in de 19e en 20e eeuw.

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

:-( 
:wave: 
:hello: 
:perfect: 
:wink: 
:-) 
:clown: 
:bouncey: 
:tongue: 
:rose: 
:blush: 
:biggrin: 
:cool: 
:cry: 
:kiss: 
:laugh: 
:notgood: 
:look: