De liturgische kleur groen
Na de kersttijd draagt de priester in de kerk de liturgische kleur groen: groene stola en een groen kazuifel. Een bekende gezegde is ’een priester in het groen, heeft niets te doen’. Uit ervaring weet ik dat dat toch niet waar is. Maar de gezegde is een verwijzing dat er na de kersttijd een gewone tijd aangebroken is. De liturgische tijd wordt dan ook wel genoemd ’de gewone tijd door het jaar’. De kersttijd waarin wit werd gedragen eindigde met het feest ’Doop van de Heer’, Jezus die als 30-jarige werd gedoopt. Dit markeert een begin van zijn leven onder de mensen. En vanaf het moment dat Jezus was gedoopt begon zijn missie om leerlingen om zich heen te verzamelen, om de Blijde Boodschap te verkondigen van Gods liefde. Naar ons toe vertalend: je zou de vergelijking mogen maken met het doopsel om een bijzonder begin te maken met God; eigenlijk is het jammer om dat later of niet te doen, want God wil graag vanaf het begin een bijzondere rol spelen in ons leven. Het doopsel is als een zaadje dat geplant wordt en het is aan de opvoeding door het begieten met water dat het zaadje ontkiemt en opbloeit als een metafoor dat Gods liefde die in ons gelegd is bij de doop mag ontkiemen en opbloeien. In de liturgische kleur groen die na de Doop van de Heer gedragen wordt, mogen we de natuur zien. Vanuit het winterseizoen kijken we uit en gaan we op weg naar het voorjaar en ook dat staat als een metafoor voor ons leven. We willen graag dat de liefde in ons opbloeit en tot leven komt. Daarom dat na de het feest van Doop van de Heer we, in de weekendmissen, de verhalen horen van Jezus als levenslessen. Jezus aannemen én lijken als een voorbeeld, is de manier om de genade (Gods liefde) die in ons gelegd is tot bloei te laten komen.
Pastoor Rick Blom


















